Kauwgombalherinneringen

Ze bekijkt de inhoud van een ouderwetse kauwgomballenautomaat. Eentje waar ook speelgoed in zit. Van een afstandje sta ik af te wegen of ze daar niet een beetje te oud voor is.

Normaal zou ik al zijn doorgelopen, maar ik kan mijn ogen niet van haar af houden. Vlak voor ze wegloopt raakt ze de grote doorzichtige plastic bol aan met haar vingertop. Een golf verdriet overspoelt me bij het zien van de blik in haar ogen. Als ze wegloopt lijkt ze zichzelf toe te spreken. Daarna schudt ze haar hoofd en lacht een beetje sullig.

Haar blik laat me niet los en even later sta ik voor de automaat. Haar vingerafdruk is nog zichtbaar en mijn hart smelt als ik zie wat ze aan wilde raken. Al het kleingeld dat ik bij mij heb, haal ik tevoorschijn.

Ik stop kauwgomballen in mijn mond en zenuwachtig kauwend haal ik de ene na andere bal eruit. De verkeerden stop ik in mijn tas, die steeds voller raakt. Ik heb het eigenlijk al opgegeven als de juiste bal eruit rolt. Gretig sluit ik mijn vingers eromheen en kijk naar links, maar de jonge vrouw is nergens meer te zien. Trots, maar ook teleurgesteld stop ik de bal in mijn broekzak, pak mijn en tas en loop al kauwend naar huis.

De volgende dag sta ik om dezelfde tijd op dezelfde plek. Ik kon haar niet uit mijn hoofd zetten, het was alsof ik naar deze plek toe werd getrokken. Zou ze hier weer komen?

De schemer begint in te zetten als ze eindelijk naar de kauwgomballenautomaat loopt. Vlug gaat ze door de knieën en zoekt de bal die ze gister zo bewonderde. Ik loop op haar af met mijn hand in mijn broekzak. Sta al een paar seconden naast haar voor ze naar mij opkijkt. Ze kijkt beschaamd.

Langzaam trek ik mijn vuist uit mijn broekzak en steek mijn hand naar haar uit. Voorzichtig vouw ik hem open. Met grote ogen kijkt ze naar haar bal. De plastic ring met
vlinder en roze steentjes glinstert in de ondergaande zon.

Advertenties

Engelen

Het is acht uur als ik uit het raam kijk, het schemert. Vlug trek ik mijn kleren aan. Normaal ben ik nooit zo vroeg als ik uit kan slapen, maar vandaag heb ik het er wel voor over.

Ik storm de trap af en ren langs T. naar de achterdeur. Met een zwaai gooi ik ‘m open, draai me om en val achterover. Net als vroeger beweeg ik mijn armen en benen. Ik sta op, draai in de deuropening en bekijk mijn kunstwerk. Het zachte witte deken heeft me opgevangen en mijn afdruk is achtergelaten.

Ik sluit de deur en loop terug de keuken in. Met hier en daar een natte plek en wat witte klonters aan mijn kleren ga ik naast T. aan de keukentafel zitten.
‘Zo … de eerste sneeuwengel van december is gemaakt.’ Ik kijk grijnzend naar hem.
T. houdt zijn blik strak op de krant. Zonder iets te zeggen schudt hij zijn hoofd van links naar rechts, maar zijn mondhoeken wijzen omhoog.
Ik buig opzij en geef hem een koude smakkerd op zijn wang.

Zij op zoek naar zelf

Ze was op zoek naar zichzelf. Als klein meisje was zelf bij haar weggelopen. Had haar verlaten zonder achterom te kijken. Zelf was niet goed genoeg en moest vervangen worden door Wianda, of Rianne of Martijn. Zij waren goed genoeg, beter nog zelfs.

Waar ze echter geen rekening mee had gehouden, was het totale verlies van zelf. Dat zelf haar de rug toe zou keren, zoals zij de rug naar zelf had gekeerd.

Later werd ze Janna, Linda, misschien zelfs wel Robbie. En ze miste zelf niet. En als ze zelf miste dan stond er wel een nieuwe hij of zij klaar om de oude te vervangen, makkelijk zat.

Het gat in haar hart dat maar tijdelijk gevuld leek te worden, vulde ze met gelach uit andermans mond, met een nieuwe vriendin of de volgende kus. Later met een joint. En al die tijd bleef zelf op een afstand die steeds groter leek te worden. Op het laatst was zelf als een speldenprik.

Maar op sommige momenten diende zelf zich aan. Dan kwam ze voor korte stormen meegelift op de zeeën; als een sirene nam zelf haar mee naar de duistere diepte. Daar fluisterde zelf wat zij ooit tegen zelf zei, Je bent niet goed genoeg; Wie wil jou nu; Alles is beter zonder jou … voordat de zee haar weer uitspuugde en zelf vervangen werd door Ineke of Edwin.
Misschien zelf een Annemieke.

Zelf’s kracht werd met de jaren sterker. Als een duistere schaduw leefde ze op haar schouder, sprak haar in hoe waardeloos ze was en dat niemand echt van haar hield; dat wat ze ook deed het altijd fout fout fout zou zijn.

De korte stormen namen haar steeds vaker mee de duistere diepte in en als ze er niet was, was ze voor even iemand op papier. Dan voelde ze liefde, lust, verdriet, verraad, boosheid, maar vooral liefde want ze kreeg altijd een Happy End. Dat wilde ze keer op keer op keer; daarachter dreigde de duistere diepte.

Ze was op zoek naar zichzelf. Maar wie was zelf? Zelf had een gat in haar borst en pijn in haar hoofd; zelf was waardeloos.

Zelf kwam steeds dichterbij, alsof nu zij de sirene was met de lokroep en zelf nam het diepe duistere met zich mee. Zelf drong aan, drong zich op; was als een postbode die aanbelde en aanbelde en als zij de deur op een kier zette, overspoelde zelf. Zodat zij gauw de deur dichtsmeet.

Zelf lag op de loer en zij zat in haar diepe duistere hoek tussen haar vingers door te gluren.

Ieder persoon in het stuk heeft een fictieve naam gekregen.

Sinterklaasje bonne, bonne, bonne …

‘Kijk mama, die wil ik! En ik ben het heeeeeele jaar lief geweest.’
Ik grinnik als ik mijn zoon zo hoor slijmen. Afgelopen maand was het Sinterklaas voor en Sinterklaas na. Meer dan eens neuriede hij Zie ginds komt de stoomboot en het Intertoysboekje is van begin tot eind uitgeplozen. ‘Prachtige brandweerwagen, Simon. Print ‘m maar uit.’
‘Mahaaaaam! Tss, mama is echt óud. Kijk, ik kan hem gewoon zo aanklikken,’ hij tikt met zijn wijsvinger op het touchscreen van de tablet, ‘en dan staat het op mijn verlanglijstje. En Sinterklaas krijgt een e-mailtje.’

Stralen

Over kinderkopjes loopt hij naar mij toe. Ik bekijk hem, van zijn bijna zwarte haren tot zijn lederen instappers. Hij is slank, met brede schouders en gespierde armen. De intens blauwe kleur van zijn irissen houd mijn blik gevangen. Hij heft zijn hoofd en sluit zijn oogleden. Met een glimlach verwelkomt hij de lichte zonnestralen, de zachte regendruppeltjes op zijn gezicht. En ik … ik zie zijn ware schoonheid.

Kraaienvrouw

Diep in het bos, waar de vogels niet fluiten en de muizen niet piepen, staat een eenzaam huis op een open plek. Een klein huisje met raampjes en een deur, zonder bel, zonder deurkruk. In het midden van het bos.

Hoog zijn de bomen en dicht is de begroeiing, met mistflarden om de toppen. Eeuwige duisternis ligt op de loer. Niemand durft zo diep het bos in te lopen, bang voor de duisternis, voor het verdwalen. Voor de verhalen over deze plek.

Als hij zo diep het bos in loopt, dat hij de mistdruppels op zijn huid voelt, op zijn tong proeft en de duisternis aan zich voelt likken, dan is de weg terug al uit zijn hoofd vervlogen. Is hij gedoemd om eeuwig rond te dwalen. Om de boomtoppen te horen ruisen, in de stilte van de nacht. Om de struiken te voelen kriebelen, angstaanjagend om hem heen.

Die open plek zal hem vinden, gretig inspelend op zijn angst, zijn snel kloppende hart, als een levend wezen. Hij zal ooit oog in oog staan met dat huisje zonder deurkruk en het licht achter die ramen zal hem doen trillen op zijn benen.

Maar zijn hart verlangt naar zekerheid, gewoonte en geborgenheid. Zijn hand strekt uit, om te kloppen op de houten deur, verzekerd van een warm onthaal. Een route terug naar de bewoonde wereld.

‘Kraaaaa! Kraaaaa! Kraaaaa!’ klinkt het vanuit het huisje en voor de laatste roep voorbij is, is hij niet meer te zien. Terug gevlucht in de duisternis, zonder aandacht voor het licht dat schijnt; een oude vrouw en haar kop thee, een kraai op haar schouder, in de  deuropening.

Hoofdschuddend kijkt de vrouw hem na, geamuseerd, gekwetst en bezorgd zijn geluiden volgend in het bos. Ze sluit haar ogen en ziet de boomtoppen, hoort de duisternis, ruikt de mistflarden en proeft de rennende voetstappen op haar natuur.

De struiken kriebelen om hem heen, de boomtoppen ruisen. Met open ogen rent hij door de mist, de duisternis benauwend in de achtervolging. Hij rent en rent, geplaagd door de kraaien die hem roepen, cirkelend om hem heen. In cirkels blijft hij verdwalen, nooit meer is hij alleen.

Lokaal avondnieuws

Dood door piramide

Gepubliceerd: 27 november 2017 om 21.24uur
Door: Stefanie Schaap

JOURE – Vanavond ontstond een dodelijk ongeluk toen mevrouw S. haar mond opendeed. De ambulance kwam met spoed, maar bleek bij aankomst te laat. 

Om 19.58 uur belde de partner het alarmnummer. “Help, ze gaat dood! De piramide vermoord haar!” schreeuwde de jongeman, nog voor de medewerker van de centrale meldkamer zijn standaard openingszin kon uitspreken.

Toen onze verslaggeefster eerder vanavond de medewerker sprak zei hij: “Ik snapte er niets van, maar stuurde toch maar een ambulance.”

De medische hulpverleners vonden bij aankomst een lege zak Venco Piramides naast de dode jongedame en snotterende jongeman.