John Vernon Lord & the House of Illustration

John Vernon Lord tekende elke dag in 2016 een tekening van tweeëneenhalf vierkante centimeter (1 inch).

De House Of Illustration (Instagram) bedacht voor september dit jaar de uitdaging om er dertig te tekenen. Het materiaal mag zelf worden gekozen, zolang de tekening maar hetzelfde formaat heeft.

Dit zijn mijn eerste tien (na wat oefenen), op naar de rest. ✌🏼

img_1531 img_1534

img_1529 img_1535

img_1541 img_1552

img_1561 img_1562

img_1563 img_1560

Advertenties

Online, offline

De schrijver staart naar het lege document. De flikkerende cursor werkt hem op de zenuwen. Onderaan, in de taakbalk, staat zijn Facebookpagina open. ‘Even maar,’ mompelt hij.
Hij bekijkt zijn meldingen en scrolt door de hoofdpagina.

‘Liefje!’
Verschrikt kijkt de schrijver over zijn schouder, ‘Wat?’
‘Waar zit je met je hoofd. Hoorde je me niet? We kunnen eten.’ Zijn vrouw loopt terug naar de keuken.

De schrijver klikt terug naar het lege document. ‘Weer een dag voorbij.’
Hij zucht, de cursor werkt hem nog steeds op de zenuwen.

Opa’s geheime kamer

Ik ben op zoek naar de ontbijtkamer in opa’s grote huis, als ik het zware donkerrode kleed aan de wand zie hangen. Het doet me denken aan opa’s oude ridderverhalen. In ten minste een van die vertellingen verdwijnt er iemand achter een gordijn aan de wand.
Was het nou om te verstoppen, of …

Het lijkt uren geleden dat ik het gordijn aan de kant schoof en een deur zichtbaar werd.
Mijn buik rammelt. Mijn vingers kleven van de spinnenwebben die aan de muren vastplakten en het is pikkedonker.
Bij elke splitsing die ik voelde, ben ik rechtsaf geslagen. Dat herinnerde ik me van opa’s verhalen, al is het ook mogelijk dat dat de manier was om uit een doolhof te komen – dat weet ik niet meer.
Op de grond hoor ik steeds iets rondscharrelen. Het klinkt hetzelfde als wanneer Tammie, de tamme rat van mijn vriend Jordi, over de vloer loopt.
Daar zal opa niet blij mee zijn.
Als ik opnieuw de bocht om loop, zie ik licht. Een piepklein strookje, verlicht een stukje van de vloer. Ik tuimel er heen en voel dat er een deur zit; met al mijn kracht trek ik aan de ijzeren ring die er aan vastzit.

Ik heb de kamer nooit eerder gezien. Tegen alle muren staan boeken en over van alles hangt een wit kleed.
Ik loop de kamer in, mijn rammelende maag voor even vergeten en spiek onder een kleed.
‘Opa!’ Verrast kijk ik naar de man van steen. Ik trek het kleed weg en zie het hoofd en de schouders tevoorschijn komen. Ik aai met mijn vingertoppen over opa’s snor; die ziet er anders uit.
‘Daniëlle!’
‘Opa? Ik ben hier!’
Ik hoor opa lachen. ‘Waar is hier meisje?’
‘Jij bent hier ook opa, van steen,’ antwoord ik.
Ik draai me om als de dubbele deuren openzwaaien. ‘Opa, kom eens. Kijk,’ ik wenk hem, ‘dit ben jij!’ Trots kijk ik naar opa. Hij loopt naar me toe, het getik van zijn wandelstok galmt door de grote kamer.
‘Nee, liefje,’ zegt opa, ‘dat is mijn overgrootvader. De opa van jouw opa, Bertrand Archibald van der Burgh.’
Ik kijk naar opa. Hij staart naar het stenen hoofd.
‘Ga je me meer vertellen, opa?’ vraag ik enthousiast.
‘Wat? O, een andere keer meisje. Je zult wel trek hebben, je bent een uur te laat voor het ontbijt.’
‘Je weet toch opa, dat het niet uitmaakt hoe vaak ik hier ben geweest. Als je me elke keer een andere kamer geeft, hoe moet ik dan de weg weten?’
Opa lacht en ik lach mee.
Mijn buik rammelt opnieuw. Het is jammer dat opa nu niet meer wil vertellen, maar als ik omkijk naar het beeld, weet ik zeker dat ik het verhaal nog wel zal horen. Ik pak opa’s uitgestoken hand en we lopen naar de deur.
‘Opa, weet je eigenlijk wel dat hier een geheime gang is?’
‘Is dat zo, meisje? Daar moet je me dan alles maar eens over vertellen …’

Vuurbal

Labiel in radeloze woede.
Brandend lava overstroomt mijn hart.
Hoge stemmen schreeuwen zich een uitweg
naar mijn mond die opengaat.
En de hopeloosheid die,
zoals de zee het strand bij vloed,
de stemmen overspoelt.
Radeloze woede.
Radeloze tranen in overvloed.

Dit gedicht heeft een plek in mijn gedichtenbundel ‘Dagboek van een tiener, met de mijmeringen van een vrouw’.

Bedrog

Hij sloop op haar af. Hoorde alleen het snelle ruisen van zijn eigen bloed in zijn oren. Zijn hart sloeg zwaar terwijl hij op sokken over de houten vloer naar haar toe liep.
Ze bukte. Trok de veters van haar linkerschoen los. Haar jas hing al aan de kapstok en haar tas stond op tafel.
Hij herkende de routine, de sleur.
Hij was haar op een halve meter genaderd toen ze de veters van haar andere schoen lostrok. Kneep even zijn ogen dicht, haalde diep adem en hief zijn armen de lucht in.
De bijbel uit hun boekenkast, raakte haar met een doffe klap op het hoofd. Ze viel voorover; de ene schoen uit, de andere bungelde aan haar tenen.
De geur van aftershave steeg op uit haar kleren, niet zijn merk. Goddeloze trut. De bijbel belandde met een klap naast haar op de vloer.
Hij liep naar de deur. Daar trok hij zijn schoenen aan, greep zijn koffer en weekendtas en trok, zonder haar de aandacht te geven die ze altijd zo graag wilde, de deur achter zich dicht.
Met een stevige, kalme hartslag liep hij bij zijn huis en eerste liefde vandaan.

Herensociëteit

Zijn handen
trokken de aandacht.
Vingers gleden door de krullen
van zijn roodbruine lokken.
Ik wenste de mijne daar.

Zijn lippen
getuit,
au naturel en vochtig,
riepen mij toe hem te proeven.
Het puntje van zijn tong
verleidde mij naderbij te komen,
hem te veroveren.

Zijn ogen
betoverden mij,
met die mossig groene kleur.
Ik waande mij
in bossen, bloemenvelden,
waar hij danste,
zwierde,
op muziek die alleen hij kon horen.

Hij observeerde.
Keek in mijn ogen.
Ik liet hem zien wat ik voelde,
wat ik dacht.
Zijn ogen vernauwden
tot ik nog slechts het zwart
van zijn pupillen zag.

En ik voelde zijn blik
verplaatsen,
tot hij bleef dralen op mijn borst.
Alsof hij door mijn lichaam
in mijn hart kon kijken,
om te zien
wat zich daar roerde.

Het zal hem hebben bekoord,
wat hij zag.
Zijn ogen wijder,
het groen dieper en
om zijn mond een zachte lach.
Met soepele tred kwam hij naar mij toe.

Zijn woorden
gesproken met hese stem,
deden mij hopen.
Niet langer
was daar de sociëteit,
de mannen in hun luie stoel.
Het personeel
met hun glazen whisky en sigaren,
verdween naar de periferie;
het was slechts hij en ik.
En hij talmde.
Wilde antwoord
op een vraag die ik niet hoorde
en hij slechts stelde
met zijn oogopslag.

We spraken
met bewust geuite woorden.
Zochten
naar de grenzen van ons samenzijn.
Een subtiele aanraking
van zijn vingertoppen, strelend
over de haartjes van mijn arm.

Eenmaal buiten,
gemaskeerd
door het duister van de nacht,
duwde hij mij
tegen een muur
en liet zijn handen gretig dwalen.
Zijn heupen
namen mijn onderlichaam gevangen,
zoals zijn tanden mijn onderlip,
voordat zijn tong de pijn wegnam.

Hijgend,
woordeloos,
sloot ik mijn vingers
om zijn hand
en wees de weg.

Dit gedicht is 5 september 2018 verschenen op de website 500magazineaanzee.nl.