La Vie Deux, Amsterdam

Ze beweegt vloeiend, als een slang in het water. Haar heupen wiegen, van links naar rechts, de spotlight op haar gericht. Ze loopt op mij af. Ik hoor het klikken van haar naaldhakken op het hout, over het geluid van de muziek. Op een sexy manier gaat ze door haar knieën, haar benen wijdt. Haar handen dwalen over haar lichaam en langzaam komt ze weer overeind. Hoe ze haar evenwicht houdt op die killerheels … ik ben er dankbaar voor.

Met een smeulende blik kijkt ze me aan. Ik voel hoe haar vuur mij brand. Het is alsof ik de enige ben, haar hele wereld. En ze legt mijn hele wereld aan mijn voeten. Letterlijk. Sierlijk zakt ze op haar knieën voor mij en bijt in haar verleidelijk rode onderlip. Zachtjes glijden haar handen van haar bovenbenen over haar buik, naar haar borsten. Lenig laat ze zich achterover zakken, met haar rug op de grond. Ze biedt zich aan.

Mijn lichaam waardeert haar bewegingen, mijn hersenen doen al een tijdje niets meer. Terwijl ze daar zo voor mij ligt te bewegen op de maat van de muziek, haar heupen voordoen hoe ze mij zal ontvangen, steek ik mijn hand uit en schuif een biljet onder het elastiek van haar slipje. Mijn vingers dralen, maar ook vandaag weet Manon weer behendig uit mijn vingers te glippen. In bed zal het weer een eenzaam klusje worden.

Advertenties

Zeventien

Het is mijn verjaardag; niemand gaat mij ooit nog vergeten. Klasgenoten schreeuwen, docenten smeken. Ze rennen langs mij en ik maai ze neer.

Zelfs mijn broer Kenny zegt niets, doet niets om mij tegen te houden. Ik hoor zijn woorden steeds weer, zoals ik die iedere dag de afgelopen jaren heb gehoord, ik voel zijn klappen, als fantoomkneuzingen op mijn huid. Hij zit naast zijn beste vriend op de grond, besmeurd met zijn bloed.

Ik loop naar hem toe, wacht tot hij mij aankijkt en hoop dat hij dit moment nog vaak zal herbeleven. Ik schiet.

#12 Schrijfuitdaging

Als je het leuk vindt om te schrijven met een thema, ben je hier aan het goede adres! Iedere twee weken op zaterdagochtend komt een nieuwe uitdaging online. Lees goed, want het kan zijn dat de spelregels bij iedere uitdaging anders zijn!


Een brief schrijven, wie doet dat tegenwoordig nog? / Als een nieuw soort trend kom ik het nog wel tegen op Instagram; snailmail wordt het daar wel genoemd. Want wat is er nu leuker dan een handgeschreven brief of kaart ontvangen, naast al die post van veelal rekeningen, belastingdienst en dergelijke. 😉 — o, oeps, die komen ook al digitaal!

Nu zeg ik niet dat niemand meer handgeschreven brieven schrijft. Misschien heb jij wel een penvriend(in)! Ik had er vijftien jaar geleden wel een paar, en toen hing ik ook nog wel eens een uur of twee aan de telefoon. Ach dat waren mooie tijden, (zucht) de wereld is zoveel veranderd …

Hoe doen gevangenen het eigenlijk, mogen zij mensen e-mailen of zien zij brieven tegemoet die met bloed, zweet en tranen zijn geschreven? Heb jij stiekem wel eens een liefdesbrief geschreven, gekregen of in een oude schoenendoos gevonden, ondertekend door één van je ouders? Het kan zijn dat je zelfs wel eens een bezwaarbrief heb geschreven, of een begeleidende brief naar het UWV, en je geen printer tot je beschikking had. S

Schrijf een verhaal van maximaal 250 woorden waarin een brief centraal staat.

Schrijf je tekst en publiceer het op je pagina. Deel de link in reacties onder dit bericht. Ik voeg de link, met naam van jouw pagina, toe aan dit bericht.

De volgende uitdaging verschijnt op 16 maart 2019.

Schrijvers:

  • MelodyK: Pohosstt
  • Van het stoute kind die zelf wel weet wie het is 😉

“De Dreigbrief”

Mijn zusje en ik sliepen samen in een groot bed. Vanuit ons bed keken we door het raam naar het huis van onze grote zus die getrouwd was met Rik. We hielden vooral hun brievenbus in de gaten waarin we regelmatig kattenbelletjes dropten met een mopje of een grappige tekening. We wachtten af hoe Rik op de briefjes zou reageren. Zijn reactie was meestal ontgoochelend lauw. Daar moest we iets aan doen. We gingen op zoek naar een idee om Rik eens een stevigere poets te bakken.

Rik speelde drums in een bandje en hij had opgetreden in Brussel. Dat gegeven konden we combineren met mijn briefschrijfkunst. In die tijd was ik voortdurend op zoek naar een meer volwassen handschrift en handtekening. Hiervoor stond het handschrift van mijn vader model. Ik had veel geëxperimenteerd en was best bedrijvig geworden in het imiteren van een volwassen handschrift.

Met cursief hellende pennenstreken en grote lussen schreef ik een brief aan Rik. In die brief deelde ik koeltjes mee dat hij mijn hond had doodgereden in Brussel ter hoogte van de Grote Steenweg nummer zes; een adres dat ik zomaar uit mijn mouw schudde. Ik schreef dat het een rashond van waarde betrof en beschuldigde hem van vluchtmisdrijf en doodslag. Ik eiste voor mijn herdershond een bedrag van 10.000 frank. Op de envelop plakte ik een op voorhand zorgvuldig losgeweekte postzegel waarop nog een stukje stempel te zien was. Dit huzarenstukje zorgde voor een namiddag vol knutselplezier en voorpret. Mijn zusje van zeven zat erbij en keek ernaar. Zusje en ik genoten verwachtingsvol, vooral toen we de brief bij het vallen van de avond stilletjes in Rik en grote zus hun bus dropten.

Het speelde zich af tijdens de herfstvakantie rond Allerheiligen. De dag nadien kwamen we te voet van Peetje zijn graf, samen met mijn moeder en tante Nonneke die bij ons logeerde. Op dat moment kwam ook Rik aangereden met zijn wagen. Hij stopte en vroeg of hij ons een lift kon geven. Zijn stem bibberde en hij zag bleek. Mijn Moeder vroeg of er soms iets aan de hand was. Rik stotterde toen hij vertelde dat hij net van het politiebureau kwam omdat hij ‘een dreigbrief’ had ontvangen. Een Brusselaar beschuldigde hem valselijk van het doodrijden van zijn hond en eiste een flinke schadevergoeding. Zusje en ik verstijfden op de achterbank en knepen hard in elkaars bil.

Thuisgekomen liepen we onmiddellijk naar onze slaapkamer en gooiden ons op bed. We waren in paniek. Dat Rik naar de politie zou gaan was verre van onze bedoeling geweest. Dat de brief die ik had geschreven een dreigbrief was, had ik niet geweten. Van een dreigbrief had ik zelfs nog nooit gehoord. Maar het klonk zeer ernstig. Wat moesten we doen? We besloten alles op te biechten aan ons moeder. Die zou het vast begrijpen.

Tante Nonneke stond erbij. Zij werd heel boos en zei dat we gezien de ernst van het feit in de jeugdgevangenis zouden belanden. Omdat het idee van mij kwam én omdat ik de brief had geschreven, was ze ervan overtuigd dat ik zeker de nor zou indraaien. Zusje zei dat ze in ieder geval mee zou gaan omdat ze mij niet in de steek wou laten. Mijn kleine zusje had meer verdriet om mijn verdriet dan om de ellendige dreigbrief. We gingen door het diepste dal dat een kind maar kan gaan.

Ik voelde gigantische schaamte toen we ’s avonds bij ons vader op het matje werden geroepen. We moesten het relaas van onze uit de hand gelopen grap van a tot z uit de doeken doen. Vader verborg zijn gezicht om het niet uit te proesten. We zagen zijn schouders schudden achter zijn krant die hij wel heel hoog hield. Dat stelde mij wonderbaarlijk gerust. Een zware last viel van mij.

Mijn grootste angst was dat het verhaal van de dreigbrief alsnog zou uitlekken. Wat zouden ze van mij maar niet denken op school? De angst bleek ongegrond. Rik heeft het verhaal nooit doorverteld. Later begreep ik waarom. Ook zijn schaamte zal heel groot geweest zijn. Hoe vertel je als stoere man aan familie, vrienden en kennissen dat je een dreigbrief hebt ontvangen van een tienjarig meisje en dat je die héél ernstig hebt genomen?

Geloof het of niet. Er is verder nooit meer over gesproken. Waar de dreigbrief is beland? Ik zou het niet weten, ik heb er nooit meer durven naar vragen…

Groeten van een stout kind.

Intiem vertrouwen

‘Wil je mij aanraken?’
‘Wil je een knuffel?’
‘Nee, ik …’ Ik trek hem langzaam naar mij toe, observeer hem. Zijn meegaandheid stelt mij gerust, zijn tedere aanraking. En de opwinding in zijn ogen doet mijn adem stokken.
‘Weet je het zeker?’ fluistert hij.
Het verlangen om te voelen, elkaar, huid tegen huid, overvalt mij. Een traan glijdt over mijn wang. ‘Ik weet niet hoe lang, hoe ver …’
Hij schudt zijn hoofd en ik zeg wat ik wilde zeggen: ‘Ik heb je nodig.’

Kruimeltjes hoop

Geen kus in de ochtend
Geen kus voor de nacht

De kus in de middag geeft me weer kracht.

Om door te gaan
zonder verdriet om wat ik mis
Om die constante gedachte te onderdrukken
dat ik mij vergis

Mijn leven zal niet mooier worden
niet beter of rijker
met meer avontuur

In gedachten is er geen beeld van ons twee bij het vuur.

En wanneer ik de kus in de middag ook mis,
waar vind ik dan de kracht?

Hoe moet ik nu verder zonder kus voor de ochtend, middag of nacht.

Weerzien

1

Haar ogen schitteren in de nacht. Vanaf een boomtak houdt ze haar omgeving in de gaten. Krekels zingen en buiten het bos loeien koeien. Ze springt op de grond. De geluiden verstommen, behalve de koeien. Zal ze daarheen gaan? Er zijn ook kippen … Nee, te gemakkelijk. Vannacht wil ze uitdaging.

Ze loopt tussen de bomen door. Het nachtleven komt weer op gang; vlakbij scharrelt een egel, verderop klapwiekt een uil. Ze heeft ontdekt dat de uil altijd weet waar eten is en net als zij, houdt hij wel van een uitdaging. Ze wijkt uit naar links. Het grote veld, in het midden van het bos, komt in zicht en ze zakt door haar poten. Haar blik glijdt over het hoge gras. Sommige sprieten bewegen. Er is geen zuchtje wind. Rechts schiet iets de struiken in. Aan de overkant krast de uil. Met haar poten plat op de vochtige grond, haar oren gespitst en haar neus in de lucht kijkt ze rond.

Even verderop springt een eekhoorn uit het gras. Een fijn hapje dat zeker zal proberen ontsnappen. De vorige keer lukte het hem bijna. Zij was toen nog maar net op deze plek; niet gewend aan alleen jagen, moe, uitdroogt en hongerig. Nu niet. De eekhoorn komt dichterbij. Langs de rand van het veld liggen meer nootjes, weet ze. Even later springt ze op en gromt. De eekhoorn staat stokstijf. Een tel later gaat hij ervandoor. Zij is sneller, behendiger en heeft het beestje al gauw ingehaald. Ze steekt haar poot uit en geeft het dier een tik om het uit evenwicht te brengen.

Er klinkt een korte plof en een suizend geluid. Dat heeft ze eerder gehoord. Maar haar instincten komen te laat en het prikt haar bil. Ze rent door, nu richting de bomen, ze moet maken dat ze wegkomt! Al snel wordt ze duizelig en komt de grond op haar af. Was ze nu maar naar die kippen gegaan …

Er komt iemand naar haar toe. Een mens. Mensen zijn gevaarlijk. Dat heeft ze van haar familie geleerd en de laatste keer hebben de mensen die haar gevangennamen dat ook bewezen. Ze lieten haar wolven zien die ze niet kende, met wie ze niet leefde, maar zij kon niet naar hen toe. De mensen wezen naar hen en vervolgens naar haar, maar wat bedoelden ze? En ze zetten iets voor haar neer, waardoor ze zo’n mens zag. De ogen waren groot en angstig, dat maakte haar nog banger. Maar wat ze het ergst vond, was dat ze haar wasten en haar nagels knipten zodat ze niet goed meer kon jagen. Het eten dat ze kreeg was vies. En iedere avond viel ze in slaap op de grond, maar ze tilden haar steeds weer op iets zachts. Ze miste de bomen, de geur van buiten.

Ze probeert nog een keer om weg te komen, maar haar poten zijn zwaar en ze heeft wolken in haar kop. Het mens voor haar heeft een lap. Dezelfde als de vorige keer. Ze weet wat hij wil, zij weet ook dat ze weg wil. Zouden de anderen in het bos haar helpen? Ze is nog niet zo lang hier en haar familie is ergens anders, maar misschien … met lage lange halen roept ze om hulp.

2

‘Sst, meisje. Stil maar. Ik ga je geen pijn doen, ik zal voor je zorgen,’ zegt Jerry tegen het tienermeisje. Hij wikkelt haar in de deken. Ze lijkt mensen niet beter te begrijpen of meer te vertrouwen dan een paar dagen geleden, toen ze nog in het huis was in plaats van het Hallemerbos. Ze jankt en haar roep klinkt zo echt, het geeft Jerry rillingen. Het zegt zoveel over haar verleden. Er gaat een steek door zijn hart. Voorzichtig tilt hij haar op en draagt haar naar zijn blauwe busje verderop.
‘Het ziekenhuis is ingelicht, Jerry. Ze zullen bij de Eerste Hulp klaarstaan en dokter  Emanuel is opgeroepen. Hij heeft vannacht dienst,’ zegt Miriam, de vrouw achter het stuur.

Het is fijn dat het hun meezit. Later kan er nog van alles misgaan, maar nu niet. Hij glimlacht naar Miriam, tilt het meisje op de achterbank en gaat naast haar zitten. Als Miriam wegrijdt streelt hij het meisje over haar wilde haren. ‘Alles komt nu goed, Mia,’ zegt hij zachtjes.

Jerry blijft haar haren strelen en hoopt dat het haar geruststelt. Veertien jaar geleden moest hij op zijn zusje passen en was hij er niet voor haar. Twee jaar was Mia toen hij niets anders wilde dan boompje klimmen en haar voor een paar minuten vergat. Nu hij haar heeft teruggevonden, zal hij er ook voor haar zijn. Niet zoals de wetenschappers, een week geleden. Zij hadden beweert er voor het meisje te zijn, het beste met haar voor te hebben. Al na een dag geloofde Jerry hen niet meer en toen Mia ontsnapte, was hij opgelucht. Maar hij wilde haar niet kwijt en kwam met zijn eigen plan.

3

Het mens dat haar heeft meegenomen zit naast haar. Hij streelt over haar vacht; dat doet hij elke dag. Eerst wilde ze dat niet, maar nu vind ze het wel lekker. Ze zijn buiten. Zij ligt languit op het gras, met haar kop op haar poten. Ze kan niet weg, er staat iets in een grote cirkel om haar heen, maar ze kan er niet overheen klimmen. Ze heeft het wel geprobeerd. Het mens maakte toen een gek geluid en hij liet zijn tanden zien. Voorzichtig tilde hij haar daarna op en zette haar weer op de grond.

Hij maakt geluiden. Ze vind het wel fijn om naar hem te luisteren. Soms roept hij mee, als zij huilt om haar familie. Het klinkt wat gek, maar ze vind het wel prettig om niet alleen te zijn.

Er zijn veel dagen voorbijgegaan. Als de zon opkomt brengt het mens haar naar buiten. Ze ligt in de zon of rent rondjes. Ze kan niet jagen en dat mist ze. En soms moet ze overdag weer mee terug naar binnen. Net als de eerste keer laten ze haar andere wolven zien; ze roept naar hen, maar niemand roept terug. Nu plakken ze ook gekke dingen op haar vacht. De eerste keer trok ze het er weer gauw vanaf, maar het mens duwde haar poten zachtjes weg en plakte het weer vast. Hij blijft altijd bij haar, het mens. En als de zon ondergaat en ze weer naar binnen moet, slaapt hij naast haar.

4

Het duurt een hele tijd voordat Mia Jerry toelaat. De spiegeloefening gaf haar eerst zoveel angst dat hij daar een tijdje mee wacht. Eerst moet ze hem vertrouwen. Jerry doet zijn best zijn ongeduld niet te laten blijken; hij wil met haar praten, sorry zeggen, vragen hoe haar leven als een wolf was. Langzaamaan went Mia aan hem. Eerst zijn aanwezigheid, dan zijn aanraking. Hij praat tegen haar, ook al denkt hij niet dat ze de woorden begrijpt.

Jerry merkt dat ze het buitenleven mist. De omheining waarin ze dagelijks leeft is niets vergeleken bij wat ze gewend was. Na een paar maanden neemt hij haar mee naar het Hallemerbos. Zal er genoeg tijd zijn verstreken? Vertrouwt Mia hem genoeg? Ze rent weg zodra hij haar uit het busje helpt. Ze huilt, ook al is het op klaarlichte dag. Jerry hoort geen antwoord op haar geroep en, hoewel hij weet dat het egoïstisch is, is hij opgelucht. Mia verdwijnt tussen de bomen en het struikgewas. Jerry klimt op de achterbank van het busje en kijkt uit over het open veld.

5

Hij ligt naast haar in het gras. De zon schijnt hoog aan de hemel en het hoge gras om hen heen, zwaait in de wind. Om hen heen hoort ze de zo bekende geluiden van het bos: de scharrelende eekhoorn, de klapwiekende uil. Ze weet nu dat ze Mia heet. Dat ze ook een mens is en dat Jerry haar familie is. De wolven zijn ook haar familie, maar dan anders. Mia begrijpt nog niet alles, maar Jerry blijft bij haar. Hij zal haar geen pijn doen en hij is geduldig. Ze gaan iedere dag naar het bos en net als de eerste keer, zovele maanden geleden, gaan ze samen terug naar het huis. Als Jerry haar niet kan zien roept hij, en zij roept terug zoals haar is geleerd.