Bruine bek

Zo stond mijn pake ook toen de Canadezen langsreden. Een sigaret tussen zijn lippen, chocolade in de hand en zwaaien maar. Ongetwijfeld zal ook hij half-doof zijn geweest van de muziek, het geschreeuw en gelach.
Het is een beeld dat zich slechts eens per jaar aan me opdringt. En elk jaar vraag ik mij af, waarom niet vaker?

Vergeten wat er gebeurde toen Hitler aan de macht kwam, kan ik niet. En wil ik ook niet. De boeken in mijn boekenkast en de documentaires op televisie herinneren mij er geregeld aan wat er zoal heeft plaatsgevonden in die jaren.
En als dat nog niet genoeg is: onze woonkamer is net een museum. Het legergroene tentdoek, dat door soldaten ook als poncho werd gebruikt, is achtergrond voor de helmen, uniformen en emaille straatnaambordjes.
Maar waarom dan toch die ene herinnering, die juist zo dichtbij hoort te staan, zo minimaal in mijn leven aanwezig is …

Pake is niet meer. We konden nog afscheid nemen en dit deed ik met droge ogen. Alleen op de crematie liet ik een traantje. Sindsdien is hij maar weinig in mijn gedachten geweest. En toch herinner ik me hem vandaag, zoals ik alle voorgaande jaren aan hem dacht op precies dezelfde datum, door het verhaal dat hij zo vaak vertelde.
Ik zie hem voor me; een jonge snoet zonder baardhaar, een sigaret tussen wijs- en middelvinger en een bruine bek van de chocolade.
Ik kijk naar de hemel, hef mijn Kokoloko en zeg: ‘Op dy, pake.’

Voor mij is dit geen autobiografisch verhaal, maar ik heb me laten leiden door me in te leven alsof het wel zo was.
Advertenties

Berlijn, april 1945

’s Nachts stampten ze door de straten. Wij haastten ons naar de kelder die van binnen op slot kon. Als we bovenkwamen was het eten weg, het water op. Ook meubels verdwenen. Vati’s schouders hingen dan, maar hij kwam altijd weer rechtop te staan en haalde overdag nieuwe voorraden.

Op een dag verschenen de Roden ’s middags. Mutti kon nog net kleine Nellie en mij verstoppen. Even later begon het gillen, de grommende geluiden. Die dag bleef het eten en water onaangetast. Vati kwam thuis met voorraad, maar zijn schouders zakten. Ze kwamen nooit weer recht.

Zombie

Als een verrot lijk lig ik stinkend in bed. Ik moet douchen en eten, mijn leven in eigen handen nemen. Het voelt alsof ik met iedere gedachte die mij aan moet sporen op te staan, alleen maar dieper wegzink in het matras.

Ik ben niet moe, ik ben lusteloos. Ik wil niets. En ik wil alles. Mijn hart verlangt, maar niets lijkt het te vullen en alles voelt zo hopeloos.

Dus blijf ik liggen. Slaap ik. Lees ik. En ruik ik mijzelf. Totdat ik de schijn moet ophouden. Opstaan en douchen zijn niet langer een keuze.

Bergen en dalen

Schaaps’ kont stuitert op het zadel terug en haar fiets rammelt vervaarlijk. Kwaad kijkt ze over haar schouder naar de drempel die hoger was dan hij op het eerste gezicht leek. ‘Rot ding!’

Een paar minuten later stapt ze van haar fiets en loopt naar de rand van het bos. Geen zuchtje wind ritselt de bladeren. Geen das danst onder de struiken.

Ze stapt tussen de bomen. Na een uur wandelen stuit ze op een boom dwars over haar pad. De stam is minstens één meter hoog en één meter breed. Linksom of rechtsom, eindeloos meet de boom. ‘Dan maar eroverheen,’ mompelt Schaap.

Bij de korte, maar zware klim schaaft ze haar knieën open aan de ruwe bast. Maar eenmaal bovenop, voelt ze zich de koning te rijk. You can do it! Ze buigt haar knieën en springt. Met een plofje komt Schaap aan de andere kant terecht.

Ze loopt verder. Na een paar stappen laat ze het dikst beboste gebied achter zich, maar merkt dat elke stap moeilijker gaat. Ze kijkt naar haar knieën en hoewel de schaafplekjes wat zeuren, echt pijn doen ze ook niet. Schaap trekt haar schouders op, recht haar rug en loopt door.

Het lopen wordt steeds zwaarder en na nog een paar honderd meter kijkt ze met gefronst voorhoofd achterom. En dan glimlacht ze. De boomstam ligt ver achter haar, maar ook een eind naar beneden. Zonder dat ze het door heeft gehad, beklimt Schaap een heuvel!  

Na een tijdje gutst het zweet onder haar wollige vacht vandaan. Ze hijgt en hoest en proest. ‘Had ik maar water meegenomen!’ roept ze wanhopig. Als in een fata morgana doemt er een kabbelend riviertje op. Een tel later en Schaap is kopje onder. Met een gelukzalige glimlach dobbert ze vervolgens op haar rug wat rond op het water. Soms stuurt ze links, soms wat rechts.

Een poosje later sleept ze zich met grote tegenzin aan de andere kant uit de rivier. Schaap’s wollen pruik hangt zwaar over haar ogen. Bij elke stap transformeert het zand onder haar hoeven in modder, waarvan zij zich al slurpend losmaakt om de volgende stap te zetten. Het duurt uren voordat Schaap weer goed in haar vacht zit en de stapjes wat gemakkelijker gaan.

En dan opeens staat ze oog in oog met een duister woud. Ze kan niet verder dan de eerste bomen zien. Boven het woud vliegen kraaien schel krassend rondjes. Schaap stapt dichterbij en voelt hoe de wind aan haar vacht trekt, haar achteruit duwt. Haar benen trillen, maar ze haalt diep adem en stapt het woud binnen.

Om haar heen is het pikkedonker. De wind en kraaien maken het moeilijk iets te horen. Ze voelt hoe takken, struiken en steentjes op haar pad proberen haar van haar koers te brengen, maar koppig worstelt Schaap zich door het duister.

Als lichten in een discotheek piepen zonnestralen door het dichte bladerdek en verwarmen haar gezicht. De energie stroomt door haar lijf en Schaap loopt sneller, springt over rotsen, schiet langs een boomstam, duikt over struiken.

Dan wurmt ze zich los uit de klauwen van de laatste wanhopige takjes en komt strijdlustig tot stilstand. Ze staat op de top van de berg. Rug recht. Vuisten gebald. Kin omhoog. Blik gefocust. Kom maar op! Ze maakt een rondje om haar as, en nog één om het te geloven en dan denkt ze, Er ligt een wereld voor mij open.

Geïnspireerd door het boek ‘Sometimes’ van Edith Stultiens

Relatiehumor

Met de blik in zijn ogen, kan hij mij in vlammen op laten gaan.
‘Wat?’ Ik kijk hem onschuldig aan.
‘Ik zei dat je op moest houden,’ spreekt hij door opeengeklemde tanden.
‘Wéééééééééééé!’ Het babygeluid klinkt schel, ik kijk hem tartend aan. Zijn mond vormt tot een prachtig boogje, al verhuld hij koppig zijn tanden. Ik roep, ‘Kijk! Je moet toch lachen,’ en schaterend wijs ik naar hem. En dan kan hij ze niet langer verbergen.
‘Ja, maar dat betekent niet dat je door moet gaan!’
Ik haal diep adem. Hij kijkt mij moordzuchtig aan.

Levenslust

Hij snuift haar geur op. Geniet, ruikt de opwinding in de kamer. Ademt haar geur. Een rilling over zijn rug. Hij proeft haar wezen op zijn tong.
Vanaf de rand van het bed bekijkt hij haar. Zijn vingers tintelen, gretig strekken ze zich. Hij wil haar geur betasten, haar huid onder zijn vingertoppen voelen rimpelen. Zijn buik fladdert.
Bloedlust.
Vingers gestrekt, handen plat op zijn benen. Bedwingen.
Niets moet veranderen. Het kunstwerk is prachtig.
Hij voelt de dwang om opnieuw te presteren, nogmaals voldoening te proeven. Zijn hand glijdt richting zijn geslacht.
Nee!
Hij schiet overeind, loopt naar het open raam en plaatst daar zijn handen tegen de ruit. Koud.
Koud voor warm, beter.
Met een zucht kijkt hij om. Zijn blik draalt bij de stille schaduw in het zachte licht van de nachtlamp. Hij snuift, een laatste keer. Dan bukt hij, en verdwijnt in de nacht.

Begraven hart

Rook dringt zijn longen binnen.
De sigarettennevel brengt hem tot rust.
Hij neemt een slok bier en de golf spoelt zijn verwarring weg. Dit is wat hij nodig heeft.

Hij kan nu niet denken aan hem, aan wat hij wil, maar zo verkeerd is, zo verkeerd voelt. Hij wil niet terugdenken aan die sterke armen om hem heen. Die hem voor het eerst lieten voelen dat hij oké is, zoals hij is. Hij wil zich nu niet geliefd voelen en tegelijk zichzelf haten.

Hij neemt nog een slok en een teug.
Het onpenetreerbare wolkendek maakt zijn herinnering onbereikbaar.
De zee sleept zijn gevoelens mee.