Natte inkt

Soms denk ik hard, zo hard dat mijn hoofd leeg wordt en er niets op papier verschijnt. En soms, wanneer ik in gesprek ben met iemand, in de supermarkt loop en een komkommer zie liggen, of in herinnering terugga, is daar ineens een beeld. Dan voel ik de nood mijn pen te pakken, naar papier te graaien, mijn verhaal te doen. En vloeit het inkt uit mijn pen zoals golven het strand op rollen: soms rustig, soms wild.

Dit verhaaltje werd vandaag gepubliceerd op 500 magazine aan zee. Een antwoord op de vraag: Hoe schrijf je jouw verhaal?

Advertenties

Maandag — (nog net op tijd!)

Nijlpaard en Konijn zitten dicht tegen elkaar aan in de speelgoeddoos. Nijlpaard met zijn pootjes als stompjes recht vooruit, Konijn met haar vier poten verstopt onder haar lijf. 
‘Het is weer zover hè,’ zegt Konijn en ze zucht diep. 

‘Yep,’ zegt Nijlpaard. 
‘Maar Nijlie, je weet toch dat het ook weer dinsdag wordt, hè?’
‘Jawel Nijn,’ zegt Nijlpaard. ‘Maar eerst is het maandag.’ Hij zucht nog dieper dan haar. 
Samen staren ze naar de bruinige kleur van de doosmuur tegenover hen. Een hele tijd blijft het stil. Dan zegt Konijn, ‘Maar wat is er dan zo erg aan maandag?’ Ze kijkt opzij naar Nijlpaard.
Een diepe rimpel verschijnt op zijn voorhoofd, hij haalt diep adem, zegt ‘Ik weet niet,’ en blaast abrupt de ingehouden adem uit. Hij kijkt verbaasd voor zich uit. Dan draait Nijlpaard zich om naar Konijn en zegt, ‘Laten we dat eens gaan onderzoeken.’
Nijlpaard klautert overeind en begint enthousiast, al is het enigszins verlaat, aan de maandag. Konijn kijkt hem met grote ogen na en springt dan ook op. 
‘Hé, wacht op mij!’ roept ze en rent naar waar Nijlpaard zijn blauwe tutu over zijn heupen sjort. 

‘s Avonds zitten Nijlpaard en Konijn op dezelfde plek als die ochtend, op precies dezelfde manier. 
‘Dus dat is maandag,’ zegt Nijlpaard. 
‘Yep,’ zegt Konijn. ‘Waar is die steen?’ 
‘Steen? Welke steen?’ Nijlpaard kijkt Konijn bevreemd aan. 
‘De steen waar wij elke maandag onder lagen, dûh!’ Konijn lacht en giechelt en lacht opnieuw. ‘Maandag is gewoon dinsdag, maar dan een dag eerder!’
‘Ja, wie had dat gedacht,’ zegt Nijlpaard. 
Het geluid van Konijn haar lach sterft weg. Ze staart weer naar de doosmuur tegenover hen. ‘Dus, wat is er dan zo erg aan maandag?’ vraagt zij voor de tweede keer die dag. 
Nijlpaard staart geconcentreerd voor zich uit: ogen half dichtgeknepen, lippen op elkaar en een poot onder zijn kin. Dan komt zijn poot omhoog en glundert hij. ‘Ik weet het,’ zegt Nijlpaard triomfantelijk. ‘Het betekent dat het weekend voorbij is!’

Lees verder Maandag — (nog net op tijd!)

Andere wereld

Sinds kort heb ik een account op Azerty Factor. Het is een website die ik ontdekte dankzij Kathleen. Op de website kun je privé of publiek je teksten delen met anderen op de website. Als ‘lokkertje’ wordt erbij gezet: Publiek wil zeggen dat iedereen je tekst kan bekijken. Zo kun je zorgen dat uitgevers en andere geïnteresseerden je tekst kunnen lezen. Aangezien mijn website openbaar is, koos ik hier ook voor de publieke optie.

Elke woensdag selecteert een auteur of specialist uit het boekenvak zijn of haar favoriete tekst.

En deze week werd die van mij gekozen, door Annemarie Peeters!

Andere wereld

Vroeg in de ochtend reed een auto langs. Een eindje verderop ging-ie de berm in en een man stapte uit. Zij lag op haar rug in het gras, kijkend naar de nog schemerige lucht, de al vervagende sterren.
‘Mevrouw?’ De man liep voorzichtig op haar af, sprak zacht alsof hij bang was dat ze zichzelf, misschien hem, iets aan zou kunnen doen. Ze keek naar hem. Zag zijn grijze driedelig pak, smartphone in zijn hand. Ze klopte naast zich op de grond, ‘Komt u bij mij liggen, meneer.’
Hij fronste. Keek om zich heen, maar van de verlaten weg kon hij geen hulp verwachten. ‘Pardon?’ vroeg hij verward.
‘Kom toch hier.’ Opnieuw klopte ze op het gras. Ze glimlachte nu naar hem, keek vervolgens weer naar de wereld boven haar.
Hij blikte naar het scherm van zijn telefoon, draaide zich om naar zijn auto, maar draaide terug. Hij zuchtte, knielde naast haar en ging liggen. ‘Mevrouw, moet ik iemand voor u bellen?’ Hij draaide zijn hoofd naar haar toe. Zij bleef omhoog kijken. ‘Nee, meneer. Nee, ik heb de hele nacht proberen te bellen. Tot ik de sterren zag, mooi hè?’ Onderzoekend richtte hij zijn blik op de hemel.
Samen lagen ze daar. De schemering maakte plaats voor de opkomende zon en langzaamaan verdwenen de sterren. Zij keken stilzwijgend naar die veranderingen.
Zijn telefoon trilde. Hij legde zijn hand op het apparaat, bracht het binnen zijn gezichtsveld. Een paar seconden later hield het trillen op en kneep hij in haar hand.


De auteur/specialist geeft ook feedback, een onverwachte prijs vond ik dat en ik heb het ook ter harte genomen en wat dingen veranderd. Onderstaande tekst is gekopieerd en geplakt van de Azerty Factor website en bevat de reactie van Annemarie Peeters op mijn tekst, of klik hier voor de originele tekst.

“Deze tekst van schaapschrijft trok onmiddellijk mijn aandacht. In de openingszinnen zit een heel leuk contrast tussen twee verschillende tempo’s. Een auto rijdt voorbij, gaat de berm in. In mijn verbeelding gaat het om een ongeval, al ben ik ben niet helemaal zeker of dat is wat schaapschrijft bedoelt. De auto staat voor snelheid, beweging. Een man stapt uit. En plots is daar een tweede tempo. Een meisje, of een vrouw, ligt in diezelfde berm naar de vervagende sterren te kijken. Prachtig: dat beeld van sterren die langzaam verdwijnen, trager kan het bijna niet. Tegelijk is het ietwat surrealistisch allemaal. Wie is zij? Wat ligt ze daar te doen?

Zijn smartphone staat symbool voor het snelle leven dat hij leidt. Het driedelige pak doet iets gelijkaardigs vermoeden – niet meteen een type dat gezellig in het natte gras van de ochtendschemer naar de sterren gaat liggen kijken. “Komt u bij mij liggen,” stelt de vrouw voor. Even twijfelt hij nog, het scherm van zijn telefoon roept, maar uiteindelijk overtuigt ze hem. Zonder noemenswaardige argumenten – wat alleen maar bijdraagt aan haar mysterieuze karakter. Is ze wel echt? Een regel later komen we wat meer over haar te weten: ze heeft de hele nacht iemand proberen te bellen en het uiteindelijk opgegeven. De sterren waren zoveel mooier.

We vermoeden wat gaat volgen: ook hij zal zich overgeven aan het tempo van de vervagende sterren. Zijn telefoon trilt, maar hij legt hem aan de kant en knijpt in haar hand. Mooi vind ik dat – filmisch en zonder woorden. Dat schaapschrijft uiteindelijk toch nog een laatste zin in de mond van de man legt, vind ik eigenlijk doodjammer. Opeens lijkt het hele gebeuren nogal banaal: een flauw, romantisch verhaaltje over onthaasting. Maar dat is het niet. Mijn advies: gewoon schrappen, die laatste zin. Ook de toevoeging over de voorbijrazende auto’s waar de man en de vrouw bewust niet naar kijken, hebben we niet nodig. Dat heeft onze verbeelding intussen al wel op eigen kracht bedacht. En dat de sterren langzaam verdwijnen – welja, doen ze dat niet elke ochtend?”

Annemarie Peeters is auteur van haar debuutroman Ook bomen slapen.

Niemandsland

De zee heeft zoveel
mooie dingen
van schelpen tot het zand.

Zij zingt schepen
op het water
veilig naar het vasteland.

Haar golven brengen
de schoonste schatten,
die wij jutten op het strand.

En ’s winters,
drijft haar romance,
ons naar een dagje hand in hand.

Maar waar zij schittert
(in zon- en manestralen)
deinen rusteloze rimpels
in Niemandsland.

Dit gedicht schreef ik voor de schrijfwedstrijd De Zee, van Schiermonnikoog. Het verscheen op 31 oktober 2018 op de website 500magazineaanzee.

Herensociëteit

Zijn handen
trokken de aandacht.
Vingers gleden door de krullen
van zijn roodbruine lokken.
Ik wenste de mijne daar.

Zijn lippen
getuit,
au naturel en vochtig,
riepen mij toe hem te proeven.
Het puntje van zijn tong
verleidde mij naderbij te komen,
hem te veroveren.

Zijn ogen
betoverden mij,
met die mossig groene kleur.
Ik waande mij
in bossen, bloemenvelden,
waar hij danste,
zwierde,
op muziek die alleen hij kon horen.

Hij observeerde.
Keek in mijn ogen.
Ik liet hem zien wat ik voelde,
wat ik dacht.
Zijn ogen vernauwden
tot ik nog slechts het zwart
van zijn pupillen zag.

En ik voelde zijn blik
verplaatsen,
tot hij bleef dralen op mijn borst.
Alsof hij door mijn lichaam
in mijn hart kon kijken,
om te zien
wat zich daar roerde.

Het zal hem hebben bekoord,
wat hij zag.
Zijn ogen wijder,
het groen dieper en
om zijn mond een zachte lach.
Met soepele tred kwam hij naar mij toe.

Zijn woorden
gesproken met hese stem,
deden mij hopen.
Niet langer
was daar de sociëteit,
de mannen in hun luie stoel.
Het personeel
met hun glazen whisky en sigaren,
verdween naar de periferie;
het was slechts hij en ik.
En hij talmde.
Wilde antwoord
op een vraag die ik niet hoorde
en hij slechts stelde
met zijn oogopslag.

We spraken
met bewust geuite woorden.
Zochten
naar de grenzen van ons samenzijn.
Een subtiele aanraking
van zijn vingertoppen, strelend
over de haartjes van mijn arm.

Eenmaal buiten,
gemaskeerd
door het duister van de nacht,
duwde hij mij
tegen een muur
en liet zijn handen gretig dwalen.
Zijn heupen
namen mijn onderlichaam gevangen,
zoals zijn tanden mijn onderlip,
voordat zijn tong de pijn wegnam.

Hijgend,
woordeloos,
sloot ik mijn vingers
om zijn hand
en wees de weg.

Dit gedicht is 5 september 2018 verschenen op de website 500magazineaanzee.nl.

Spiegelen

Ik kijk naar de spiegel en weer weg. Ik durf het niet te zien. Mijn reflectie is te oppervlakkig, tweedimensionaal. Zonder glans.
Als ik kijk, zie ik een onbekende.
Mijn vingers glijden over een gezicht dat ik ken. Maar zien wat er voorbij het bruin van mijn ogen ligt, wil ik simpelweg niet.
Alsof lichaam en geest gescheiden zijn en ik naar bekende vormen kijk, zonder het geheel te herkennen. Mijn spiegelbeeld is dat van een oplichter en zij vraagt, ‘Wie ben jij?’

 

De originele versie is op 2 januari 2018 gekozen als een van de vijf leukste Ultrakorte Verhalen van week 1+2 op de Facebookpagina Schrijven Magazine: Ultrakorte verhalen. Lees hier de andere vier stukjes.