Spijt

Het lichaam werd al koud toen hij binnendrong. Zo had hij ze het liefst; stil, weerloos en sereen.

‘Het spijt me, mama. Het spijt me.’ Hij bleef zich herhalen. Hij zat naast het lichaam, wiegde mee op het ritme van de pianomuziek, die zijn moeder vroeger altijd speelde. Zijn wangen waren nat.
Hij streelde haar haren. Ze voelden bijna hetzelfde als de haren van zijn moeder, na haar dood.

Zijn lichaam werd koud, liggend op het hare. Tranen druppelden. ‘Het spijt me, mama. Het spijt me,’ klonk het keer op keer.

Advertenties

“Gaat toch niet gebeuren,” schimpte mijn hoofd.

Nee kan zo’n woord zijn, waar je bang voor bent om te horen. Een afwijzing. Een ontkenning. Misschien zelfs een woord dat leidt tot eenzaamheid.

Na mijn diagnostisch onderzoek voor PTSS was ik optimistisch. Ik voelde mij gehoord en was 70/30 procent positief dat ik dit keer tot de traumaverwerkingskliniek toegelaten werd. In de weken leidend naar het indicatiegesprek was ik nog steeds optimistisch, al deed mijn hoofd erg zijn best om het percentage te laten dalen.

Vrijdag kreeg ik eindelijk te horen dat PTSS was gediagnosticeerd en doordat het complexe PTSS is, ik word toegelaten tot de kliniek. Of ik daar oren naar had?

De wachtlijst is op het moment kort. Drie weken voor de tijd hoor ik de definitieve datum, maar waarschijnlijk start ik in februari.

De angst voor een afwijzende nee was groot; nu zijn er nog slechts zenuwen voor de toekomstige ja. 

Ik schreef dit stukje voor Schrijfuitdaging #6, met thema 'Nee'.

Reddende handen

We hadden een gaskachel in de woonkamer. Met een laag, breed raam waar je de vlammetjes achter zag. Van centrale verwarming had ik nog nooit gehoord, daar was ik nog te jong voor.

De vlammetjes vond ik mooi, maar mem* had meer dan eens gezegd dat ik niet aan het raampje mocht komen, dat was heet. Maar in hoeverre besefte ik de hitte van zulke schoonheid, als ik dit nooit zelf had gevoeld?

Dino had het koud. Met het impulsieve karakter dat ik als volwassene ook tentoon zal stellen, drukte ik zijn poot tegen het raampje. Het geluid dat ik hoorde was niet juist, dat wist ik. Snel trok ik zijn pootje weg, maar het was te laat.

Een deel van zijn groene poot was weggeschroeid en maakte witte vulling zichtbaar. Mem’s vingers boden een pleister, die we samen op Dino’s poot plakten. Ze nam ons in de armen en veegde met vingers, die sterk waren van het zorgen voor haar gezin, mijn tranen weg.

*Mem = mam, moeder, in Fryske taal.

Sprookje

De sneeuwbol staat bij pake* op de kast. Ik kan mij niet beheersen en enthousiast pak ik hem op, voel het gewicht. Voorzichtigheid is geboden met dit glazen sprookje; ik ken mijzelf.

Ik kijk in de bol. De pakjes staan onder de boom, de ster schijnt gouden licht en de hond is de pakjesbewaarder. Als ik hem scheef houd komen de vlokken al van hun plaats. Mijn vingers kriebelen en mijn mondhoeken bollen mijn wangen op.
‘Wat doe jij?’ vraagt pake.
Grijnzend draai ik me om, schud de sneeuwbol en houd hem omhoog. ‘Kon het niet laten,’ zeg ik met mijn ogen strak op de bol gericht.

Als de sneeuw weer stilligt, veel te snel naar mijn idee, schud ik opnieuw. Ik kijk ernaar, sluit mijn ogen en denk aan het warme gevoel dat kerstmis mij geeft. Soms is het geweldig om weer even kind te zijn.

Pake = opa, in Fryske taal.

Kauwgombalherinneringen

Ze bekijkt de inhoud van een ouderwetse kauwgomballenautomaat. Eentje waar ook speelgoed in zit. Van een afstandje sta ik af te wegen of ze daar niet een beetje te oud voor is.

Normaal zou ik al zijn doorgelopen, maar ik kan mijn ogen niet van haar af houden. Vlak voor ze wegloopt raakt ze de grote doorzichtige plastic bol aan met haar vingertop. Een golf verdriet overspoelt me bij het zien van de blik in haar ogen. Als ze wegloopt lijkt ze zichzelf toe te spreken. Daarna schudt ze haar hoofd en lacht een beetje sullig.

Haar blik laat me niet los en even later sta ik voor de automaat. Haar vingerafdruk is nog zichtbaar en mijn hart smelt als ik zie wat ze aan wilde raken. Al het kleingeld dat ik bij mij heb, haal ik tevoorschijn.

Ik stop kauwgomballen in mijn mond en zenuwachtig kauwend haal ik de ene na andere bal eruit. De verkeerden stop ik in mijn tas, die steeds voller raakt. Ik heb het eigenlijk al opgegeven als de juiste bal eruit rolt. Gretig sluit ik mijn vingers eromheen en kijk naar links, maar de jonge vrouw is nergens meer te zien. Trots, maar ook teleurgesteld stop ik de bal in mijn broekzak, pak mijn en tas en loop al kauwend naar huis.

De volgende dag sta ik om dezelfde tijd op dezelfde plek. Ik kon haar niet uit mijn hoofd zetten, het was alsof ik naar deze plek toe werd getrokken. Zou ze hier weer komen?

De schemer begint in te zetten als ze eindelijk naar de kauwgomballenautomaat loopt. Vlug gaat ze door de knieën en zoekt de bal die ze gister zo bewonderde. Ik loop op haar af met mijn hand in mijn broekzak. Sta al een paar seconden naast haar voor ze naar mij opkijkt. Ze kijkt beschaamd.

Langzaam trek ik mijn vuist uit mijn broekzak en steek mijn hand naar haar uit. Voorzichtig vouw ik hem open. Met grote ogen kijkt ze naar haar bal. De plastic ring met
vlinder en roze steentjes glinstert in de ondergaande zon.