Weerzien

1

Haar ogen schitteren in de nacht. Vanaf een boomtak houdt ze haar omgeving in de gaten. Krekels zingen en buiten het bos loeien koeien. Ze springt op de grond. De geluiden verstommen, behalve de koeien. Zal ze daarheen gaan? Er zijn ook kippen … Nee, te gemakkelijk. Vannacht wil ze uitdaging.

Ze loopt tussen de bomen door. Het nachtleven komt weer op gang; vlakbij scharrelt een egel, verderop klapwiekt een uil. Ze heeft ontdekt dat de uil altijd weet waar eten is en net als zij, houdt hij wel van een uitdaging. Ze wijkt uit naar links. Het grote veld, in het midden van het bos, komt in zicht en ze zakt door haar poten. Haar blik glijdt over het hoge gras. Sommige sprieten bewegen. Er is geen zuchtje wind. Rechts schiet iets de struiken in. Aan de overkant krast de uil. Met haar poten plat op de vochtige grond, haar oren gespitst en haar neus in de lucht kijkt ze rond.

Even verderop springt een eekhoorn uit het gras. Een fijn hapje dat zeker zal proberen ontsnappen. De vorige keer lukte het hem bijna. Zij was toen nog maar net op deze plek; niet gewend aan alleen jagen, moe, uitdroogt en hongerig. Nu niet. De eekhoorn komt dichterbij. Langs de rand van het veld liggen meer nootjes, weet ze. Even later springt ze op en gromt. De eekhoorn staat stokstijf. Een tel later gaat hij ervandoor. Zij is sneller, behendiger en heeft het beestje al gauw ingehaald. Ze steekt haar poot uit en geeft het dier een tik om het uit evenwicht te brengen.

Er klinkt een korte plof en een suizend geluid. Dat heeft ze eerder gehoord. Maar haar instincten komen te laat en het prikt haar bil. Ze rent door, nu richting de bomen, ze moet maken dat ze wegkomt! Al snel wordt ze duizelig en komt de grond op haar af. Was ze nu maar naar die kippen gegaan …

Er komt iemand naar haar toe. Een mens. Mensen zijn gevaarlijk. Dat heeft ze van haar familie geleerd en de laatste keer hebben de mensen die haar gevangennamen dat ook bewezen. Ze lieten haar wolven zien die ze niet kende, met wie ze niet leefde, maar zij kon niet naar hen toe. De mensen wezen naar hen en vervolgens naar haar, maar wat bedoelden ze? En ze zetten iets voor haar neer, waardoor ze zo’n mens zag. De ogen waren groot en angstig, dat maakte haar nog banger. Maar wat ze het ergst vond, was dat ze haar wasten en haar nagels knipten zodat ze niet goed meer kon jagen. Het eten dat ze kreeg was vies. En iedere avond viel ze in slaap op de grond, maar ze tilden haar steeds weer op iets zachts. Ze miste de bomen, de geur van buiten.

Ze probeert nog een keer om weg te komen, maar haar poten zijn zwaar en ze heeft wolken in haar kop. Het mens voor haar heeft een lap. Dezelfde als de vorige keer. Ze weet wat hij wil, zij weet ook dat ze weg wil. Zouden de anderen in het bos haar helpen? Ze is nog niet zo lang hier en haar familie is ergens anders, maar misschien … met lage lange halen roept ze om hulp.

2

‘Sst, meisje. Stil maar. Ik ga je geen pijn doen, ik zal voor je zorgen,’ zegt Jerry tegen het tienermeisje. Hij wikkelt haar in de deken. Ze lijkt mensen niet beter te begrijpen of meer te vertrouwen dan een paar dagen geleden, toen ze nog in het huis was in plaats van het Hallemerbos. Ze jankt en haar roep klinkt zo echt, het geeft Jerry rillingen. Het zegt zoveel over haar verleden. Er gaat een steek door zijn hart. Voorzichtig tilt hij haar op en draagt haar naar zijn blauwe busje verderop.
‘Het ziekenhuis is ingelicht, Jerry. Ze zullen bij de Eerste Hulp klaarstaan en dokter  Emanuel is opgeroepen. Hij heeft vannacht dienst,’ zegt Miriam, de vrouw achter het stuur.

Het is fijn dat het hun meezit. Later kan er nog van alles misgaan, maar nu niet. Hij glimlacht naar Miriam, tilt het meisje op de achterbank en gaat naast haar zitten. Als Miriam wegrijdt streelt hij het meisje over haar wilde haren. ‘Alles komt nu goed, Mia,’ zegt hij zachtjes.

Jerry blijft haar haren strelen en hoopt dat het haar geruststelt. Veertien jaar geleden moest hij op zijn zusje passen en was hij er niet voor haar. Twee jaar was Mia toen hij niets anders wilde dan boompje klimmen en haar voor een paar minuten vergat. Nu hij haar heeft teruggevonden, zal hij er ook voor haar zijn. Niet zoals de wetenschappers, een week geleden. Zij hadden beweert er voor het meisje te zijn, het beste met haar voor te hebben. Al na een dag geloofde Jerry hen niet meer en toen Mia ontsnapte, was hij opgelucht. Maar hij wilde haar niet kwijt en kwam met zijn eigen plan.

3

Het mens dat haar heeft meegenomen zit naast haar. Hij streelt over haar vacht; dat doet hij elke dag. Eerst wilde ze dat niet, maar nu vind ze het wel lekker. Ze zijn buiten. Zij ligt languit op het gras, met haar kop op haar poten. Ze kan niet weg, er staat iets in een grote cirkel om haar heen, maar ze kan er niet overheen klimmen. Ze heeft het wel geprobeerd. Het mens maakte toen een gek geluid en hij liet zijn tanden zien. Voorzichtig tilde hij haar daarna op en zette haar weer op de grond.

Hij maakt geluiden. Ze vind het wel fijn om naar hem te luisteren. Soms roept hij mee, als zij huilt om haar familie. Het klinkt wat gek, maar ze vind het wel prettig om niet alleen te zijn.

Er zijn veel dagen voorbijgegaan. Als de zon opkomt brengt het mens haar naar buiten. Ze ligt in de zon of rent rondjes. Ze kan niet jagen en dat mist ze. En soms moet ze overdag weer mee terug naar binnen. Net als de eerste keer laten ze haar andere wolven zien; ze roept naar hen, maar niemand roept terug. Nu plakken ze ook gekke dingen op haar vacht. De eerste keer trok ze het er weer gauw vanaf, maar het mens duwde haar poten zachtjes weg en plakte het weer vast. Hij blijft altijd bij haar, het mens. En als de zon ondergaat en ze weer naar binnen moet, slaapt hij naast haar.

4

Het duurt een hele tijd voordat Mia Jerry toelaat. De spiegeloefening gaf haar eerst zoveel angst dat hij daar een tijdje mee wacht. Eerst moet ze hem vertrouwen. Jerry doet zijn best zijn ongeduld niet te laten blijken; hij wil met haar praten, sorry zeggen, vragen hoe haar leven als een wolf was. Langzaamaan went Mia aan hem. Eerst zijn aanwezigheid, dan zijn aanraking. Hij praat tegen haar, ook al denkt hij niet dat ze de woorden begrijpt.

Jerry merkt dat ze het buitenleven mist. De omheining waarin ze dagelijks leeft is niets vergeleken bij wat ze gewend was. Na een paar maanden neemt hij haar mee naar het Hallemerbos. Zal er genoeg tijd zijn verstreken? Vertrouwt Mia hem genoeg? Ze rent weg zodra hij haar uit het busje helpt. Ze huilt, ook al is het op klaarlichte dag. Jerry hoort geen antwoord op haar geroep en, hoewel hij weet dat het egoïstisch is, is hij opgelucht. Mia verdwijnt tussen de bomen en het struikgewas. Jerry klimt op de achterbank van het busje en kijkt uit over het open veld.

5

Hij ligt naast haar in het gras. De zon schijnt hoog aan de hemel en het hoge gras om hen heen, zwaait in de wind. Om hen heen hoort ze de zo bekende geluiden van het bos: de scharrelende eekhoorn, de klapwiekende uil. Ze weet nu dat ze Mia heet. Dat ze ook een mens is en dat Jerry haar familie is. De wolven zijn ook haar familie, maar dan anders. Mia begrijpt nog niet alles, maar Jerry blijft bij haar. Hij zal haar geen pijn doen en hij is geduldig. Ze gaan iedere dag naar het bos en net als de eerste keer, zovele maanden geleden, gaan ze samen terug naar het huis. Als Jerry haar niet kan zien roept hij, en zij roept terug zoals haar is geleerd.

 

Advertenties

#11 Schrijfuitdaging

Als je het leuk vindt om te schrijven met een thema, ben je hier aan het goede adres! Iedere twee weken op zaterdagochtend komt een nieuwe uitdaging online. Lees goed, want het kan zijn dat de spelregels bij iedere uitdaging anders zijn!


Ronja de roversdochter heb ik leren kennen via een film op televisie. Als meisje vond ik de taal grappig (en nog steeds) en haar wereld intrigerend. Tegenwoordig staat het boek in mijn boekenkast.

Voor deze schrijfuitdaging heb ik het boek op een willekeurige pagina geopend en daar een stukje tekst uit gepikt.

Schrijf een verhaal van maximaal 400 woorden waarin je het volgende stukje verwerkt: ‘Mijn kind,’ zei Lovis. ‘Wat zijn je haren nat . Ben je uit zwemmen geweest?’ — Astrid Lindgren (1981) Ronja de roversdochter

Schrijf je tekst en publiceer het op je pagina. Deel de link in reacties onder dit bericht. Ik voeg de link, met naam van jouw pagina, toe aan dit bericht.

De volgende uitdaging verschijnt op 2 maart 2019.

Schrijvers:

Na Valentijn

De tafel is volgeladen, de stoelen zijn leeg.
Hoe hard ze ook wenste, hij kwam niet thuis. De hele nacht bracht ze klaarwakker door op de sofa.
Het duurde een jaar, maar de koud geworden Valentijnmaaltijd die ze voor hem maakte, doet het haar eindelijk inzien. Ze voelt de pijn van haar gebroken hart.

Na het opruimen en afwassen, loopt ze naar de bloemist. Daar koopt ze een bos rode rozen. Veertig; net zoveel als de jaren die ze samen waren.
Voor het eerst sinds de begrafenis bezoekt ze hem. Ze zit op haar knieën en legt zijn lievelingsbloemen op het graf.

 

De vrijwilligster

‘Heeft u ook kinderen?’
‘Ja, liefje. Twee zoons. Ik kan het me nog herinneren: zo klein waren ze en ze speelden zo lief met elkaar. O, ze hadden ook ruzie hoor. Ik heb ze menigmaal uit elkaar moeten trekken.’ Even lijkt ze in haar herinneringen weg te zakken.

‘Ik zag ze iedere dag. Vertelde een verhaaltje voor het slapen gaan; ze waren gek op Ali Baba en de veertig rovers, weet u.’ Onrustig friemelt ze met haar zakdoek. ‘Alles is anders nu … Ze werken. Dankzij hen kan ik hier wonen, ik hoef alleen nog te leven.’

Het kasteelmonster

Ik ren zo hard ik kan, hoor alleen het bonzen van mijn eigen hart. De gang splitst zich. Ik ren rechts, kijk gejaagd achterom en loop prompt tegen iemand op. Verschrikt struikel ik achteruit. Ik kijk voor me, zie alleen het wit van ogen in het donker. Voordat ik kan  vluchten, grijpt het mijn schouders. Witte tanden lichten op in het donker. Ik gil en sla om mij heen om het monster op afstand te houden, maar het grijpt mijn polsen en lacht.

‘Daar had ik je even goed te pakken, hé!’
Mijn gil blijft steken als ik de stem van mijn neef Marcus herken. Hijgend zak ik door mijn knieën, op de grond. ‘Verdorie! Hoe kun je me dit aandoen?’ hijg ik.
Marcus die nog steeds hikt van het lachen, loopt naar de muur. Een paar seconden later verlicht de olielamp de gang met een zachte gloed. ‘Wat nou Victoria … bang?’
Om me niet te laten kennen ga ik staan, steek mijn kin vooruit en zeg: ‘Nee, hoe kom je daarbij?’ Ik klink zelfverzekerd, maar na een paar seconden zijn alwetende blik te voelen capituleer ik. ‘Wat dan nog? Jij verteld me allemaal enge verhalen over monsters en geesten in dit deel van het kasteel! En het is hier koud, en vies. En eerder in de gang dacht ik dat er iets in de schaduwen bewoog …’ De laatste zin komt er met een klein stemmetje uit.

Opnieuw lacht Marcus en vraagt me of ik werkelijk in die verhalen geloof. Ik wil hem eigenlijk geen klap op zijn hoofd geven, maar de tranen op zijn wangen doen hem niet veel goeds. Natuurlijk weet ik als vijftienjarige wel dat monsters en geesten niet bestaan.
‘BOE!’ schreeuwt Marcus vanuit het niks. Hij lacht nog harder als ik van schrik een sprongetje maak. Ik duw hem hard bij me vandaan, het schaamrood op mijn kaken. Ik draai me om en loop naar de gang waar ik vandaan kwam.

Marcus slaat zijn arm om mijn schouder en veegt met de mouw van zijn flanellen overhemd zijn tranen weg. Met een ondeugende blik kijkt hij me aan. Op hem kan ik  nooit lang kwaad blijven en samen lopen we terug naar het hart van Château du Monstre.